Op zondagochtend 27 september speelt het Concertgebouworkest in het Bijlmer Parktheater om 11.00 uur Regen in een live-uitvoering van de compositie van Lou Lichtveld met filmprojectie van de filmklassieker van Joris Ivens en Manus Franken uit 1929.
(foto: Lou Lichtveld luistert naar geluidsopnames Philips radio, 1931; partituur Regen, 1932; coll. archief familie Lichtveld en Joris Ivens Archief).
Met twee exposities in 2027 in het vooruitzicht zijn weer meer sterke werken van kunstenares Anneke van der Feer (1902-1956) ontdekt. Vanuit verrassende locaties: Tblisi en Raalte. In het nationaal museum van Georgië is haar schilderij Twee zusters (ca. 1932) gevonden en op een antiekmarkt in Raalte een houtskooltekening (1935) uit Moskou.
Van Amsterdam naar Tblisi
Van Anneke van der Feer's grote schilderij Twee zusters was tot voor kort alleen een zwart-wit foto bekend. Deze foto stond in maart 1932 afgedrukt in de catalogus met werken van de jubileumtentoonstelling van de twintigjarige kunstenaarsgroep 'De Onafhankelijken' in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Maar de verblijfplaats bleef daarna decennialang in duister gehuld.
Twee zusters is een opvallend dubbelportret: hoewel Van der Feer meestal vrijwel dezelfde gezichtsuitdrukkingen schilderde wijkt dit schilderij daar van af. De beide jonge vrouwen kijken bijna uitdagend de kijker rechtsstreeks aan. Het coloriet en onderwerp komt overeen met die van haar leermeester Harmen Meurs, zoals bijv. te zien in in zijn werk Drie zusters.

Anneke van der Feer, Twee zusters, ca. 1932. Tblisi, Harmen Meurs, Drie zusters, z.d. Part. coll.
Nationaal Museum voor Schone Kunsten.
De zoektocht naar dit werk leert dat twee maanden na de expositie in het Stedelijk haar werk wordt geselecteerd door een commissie van Hildo Krop, Gerrit Rietveld en Peter Alma voor een tentoonstelling van Nederlandse Hedendaagse kunst in het Staatsmuseum voor Moderne Westerse Kunst in Moskou in mei en juni van dat jaar. Deze tentoonstelling was een initiatief van Apie Prins, in 1928 oprichter van het Genootschap Nederland-Nieuw Rusland met het gelijknamige blad met de door Gerrit Rietveld ontworpen omslag. Hij nam contact op met de VOKS in Moskou, de vereniging voor culturele betrekkingen met het buitenland, dat in die jaren nieuw museumbeleid ging uitvoeren, waarin proletarische kunst een voorhoederol zou spelen. Dezelfde Apie Prins en VOKS waarmee Ivens in 1930 een succesvolle uitwisseling tussen hem en de befaamde Russische regisseur Wsevolod Poedovkin had geregeld.
Het opmerkelijke Moskouse museum is wereldwijd het eerste museum voor moderne westerse kunst (eerder dan bijv. het MoMA in New York, dat zes jaar later haar activiteiten begon) en beschikte over een fabelachtige collectie van Franse impressionisten, post-impressionisten en fauvisten, zoals Cézanne, Monet, Van Gogh, Matisse en Picasso. Het was in de decennia rond de eeuwwisseling verzameld door twee succesvolle zakenlieden/kunstverzamelaars: Sergej Sjtsjoekin en Ivan Morozov, wiens privécollecties na de Russische Revolutie werden geconfisqueerd en genationaliseerd. In 1923 kwamen collecties samen in een gebouw aan de Prechistenka straat in Moskou.

Het gebouw van het Staatsmuseum voor Moderne Westerse Kunst in Moskou in 1936 bij de XIXe viering van de Oktoberrevolutie. Rechts hetzelfde gebouw in de huidige staat, het kreeg na 1948 een andere functie.
Joris Ivens treinde eind oktober 1931 naar de Sovjet-Unie voor filmopdrachten en bleef daar -met tussendoor een onderbreking in Nederland- tot januari 1933. Anneke van der Feer was hem snel nagereisd en verbleef eveneens aldaar. Ze verdiende wat geld door o.a. illustraties te maken voor de communistische pers in Nederland.

Joris Ivens en Anneke van der Feer slapend op de achterbank Anneke van der Feer werkt aan een illustratie, Moskou, z.d. (1932-1938), tijdens hun verblijf in Rusland. Coll. Joris Ivens Archief, Nijmegen.
Het is niet duidelijk of Anneke van der Feer betrokken was bij de inrichting van de Moskouse expositie, hoewel het voor de hand ligt. Het betrof immers werk van haarzelf en van directe collega's en geestverwanten.
Het was de uitdrukkelijke wens om uiteenlopende kunstdisciplines van de Nederlandse avant-garde te tonen en dat het accent op arbeid en de vooruitstrevende arbeidersbeweging zou komen te liggen. Juist in die beginjaren '30 transformeerde de avant-garde van abstractie naar realisme wat bij enkele kunstenaars in hun veranderende stijl nadrukkelijk te zien is. Feitelijk vond die overgang naar allerlei soorten van realisme in de gehele westerse wereld plaats, zowel in Nederland en andere West-Europese landen als in de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. Tot de deelnemende Nederlandse kunstenaars behoorden o.a. voor schilder- en tekenkunst: Chris Beekman, Charley Toorop, Mark Kolthoff, Paul Citroen, Henk Chabot, Peter Alma, Anneke van der Feer; voor fotografie: Paul Schuitema, Piet Zwart, Gerrit Kiljan; voor film: Joris Ivens; voor architectuur: Cornelis van Eesteren, Gerrit Rietveld, Han van Loghem, aangevuld met werk van J.J.P. Oud en Sybold van Ravensteyn en voor beeldhouwkunst; Hildo Krop, Frits Sieger en Leendert Bolle.
Op 30 april 1932 opende de expositie, een dag voor de 1-mei-viering. Het trok meteen veel aandacht van geïnteresseerde Moskovieten.

De Tribune noemt de expositie in haar uitgave van 2 juli 1932 met het reliëf van Frits Sieger aan de muur. Affiche de Tribune, dat gelijkenis vertoont met het reliëf van Sieger.

Frits Sieger, De Tribune, 1930. Gips, collage en verf. Amsterdam, coll. Stedelijk Museum. Gusta Reichwein, toenmalig conservator van het Amsterdam Museum, haalde in 2016 dit letterlijk zware werk uit de vergetelheid voor de expositie '100 x Made in Amsterdam'. Het reliëf verbeeldt de afbraak van oude en opbouw van nieuwe muren voor de uitbreiding van de drukkerij van De Tribune. Met dit doel werd geld opgehaald, o.a. met de wervingsfilm Breken en bouwen (1930) van Joris Ivens met de schilder en fotograaf Mark Kolthoff als assistent cameraman. Zie ook: Gusta Reichwein, Made in Amsterdam. 100 jaar in 100 kunstwerken', 2016, catalogus bij de gelijknamige expositie in het Amsterdam Museum van 11 maart tot 31 juli 2016 in het Amsterdam Museum. Zwolle, Waanders Uitgevers; Amsterdam Museum, p. 66.
Beeld van de expositie in Moskou, in het Staatsmuseum van Moderne Westerse Kunst (mei-juni 1932) met o.a. de kop van Lenin van Hildo Krop, het reliëf van Frits Sieger, schilderijen en grafiek van Peter Alma. Van de kop van Lenin bevindt zich zowel een exemplaar in Moskou als een exemplaar in het Hildo Krop Museum in Steenwijk. Moskou, coll. Poesjkin Staatmuseum voor Schone Kunsten.
Peter Alma, Havenarbeider, 1924, foto Museum Arnhem. Peter Alma, Transport, 1924.
Na Moskou ging de Nederlandse expositie nog door naar de Hermitage in Leningrad, in de speciale zalen voor hedendaagse kunst (oktober 1932-mei 1933) en naar Charkov. Niet zeker is of de geplande tour naar Kyiv en Odessa is doorgegaan.
Beeld van dezelfde expositie van revolutionaire Nederlandse kunstenaars, die was doorgereisd naar de Hermitage (okt. 1932-mei 1933) met o.a. werk van Willem Bosma (havengezicht), de kop van Lenin door Hildo Krop en werken van Peter Alma en Anneke van der Feer. Archief Staatsarchief Hermitage, Leningrad.
Architectuur nam een grote plaats in in de expositie, met moderne architecten van De Opbouw, De Stijl-beweging en De 8 en andere functionele stijlen. Moskou, coll. Poesjkin Staatmuseum voor Schone Kunsten.
Na de exposities keert het grootste deel van de bruiklenen weer terug naar Nederland, maar de kop van Lenin van Krop blijft in Moskou, evenals het schilderij Twee zusters.
Als het museum in 1939 een andere koers gaat varen verhuist Van der Feer's werk naar Tblisi, naar het Nationale Museum voor Schone Kunsten in Georgië. Daar duikt het in 2025 op tijdens een overzichtstentoonstelling van de museale collectie. Het Museum van Moderne Westerse Kunst in Moskou was na WO-II op last van Stalin al definitief gesloten. De fraaie collectie van Sergej Sjtsjoekin en Ivan Morozov is in de Hermitage te zien. Plannen om het Museum van Moderne Westerse Kunst te reconstrueren zijn nog niet gerealiseerd.
Een ander nieuw ontdekt werk is een houtstekening uit 1935 van een arbeider uit de Moskouse fabriek Hamer en Sikkel van Anneke van der Feer, die Sjors Schijf kocht in Raalte. Hoe dat werk, eentje uit een grotere serie waarvan er drie in het bezit zijn van de Ivens Stichting in Nijmegen en twee van het museum in Helmond, vanuit Moskou in de Overijsselse stad terecht is gekomen, is een raadsel.
© André Stufkens, 31-07-2026
voor meer info over het Staatsmuseum voor Moderne Westerse Kunst:
https://garagemca.org/event/garage-self-isolation/materials/komnata-sovremennogo-iskusstva-ili-kak-sozdavali-hudozhestvennye-vystavki-v-1930-h-godah-v-sssr-the-room-of-contemporary-art-at-the-hermitage
Hoe wist Joris Ivens zich vanaf 1924 zo snel een weg te banen in de Amsterdamse avant-garde en daar een van de voortrekkers van te worden? Eén verklaring is dat hij na terugkeer van zijn opleiding in Duitsland en een tussenstop in Nijmegen zich vestigde in een ruimte in Amstel 190. Dankzij unieke foto’s uit het familiearchief van Jopie Frank, kleinzoon van Henri Groen, toentertijd eigenaar van Amstel 190, weten we iets meer over het reilen en zeilen.
Lees meer: Bohemiens en Joodse Feesten in Huize Groen, Amstel 190, 1923-27
Donderdag 4 juni 2026 opende koningin Máxima het vernieuwde Valkhof Museum in Nijmegen, ruim 26 jaar na koningin Beatrix. Joris Ivens' film Indonesia Calling (1946) wordt permanent in de vaste opstelling vertoond samen met de Kinamo filmcamera uit de collectie van de Ivens Stichting. Hiermee filmde hij de filmklassiekers De brug (1928) en Regen (1929). In de zalen van kunstenaar Fernando Sánchez Castillo 'Power to the People' is Het verhaal van de wind (1988) integraal te zien met een mini terracotta leger (tot november 2026).
Artist impression van het Kelfkensbos (klaar medio juli 2026) met entree naar vernieuwd Valkhof Museum. Foto Gemeente Nijmegen. Rechts het beeld van Fernando Sánchez Castillo met het ruiterstandbeeld van Romeinse keizer, op zijn kop. Rechts van dezelfde kunstenaar een in de tijd en aarde weggezakt beeld van diezelfde machthebber.
'Mens op de grens'
Architectenbureau UNStudio (Ben van Berkel, Tina Kortmann) kreeg de kans het gebouw in een verbouwing van bijna vier jaar en 16 miljoen euro aantrekkelijker, logischer en veel transparanter te maken. Inhoudelijk heeft het museum gekozen voor een overkoepelend verhaal 'Mens op de grens', typerend voor Nijmegen aan de Limes, de stuwwal, de oostgrens... 'Een heuvel geeft uitzicht en overzicht, een rivier vormt een natuurlijke grens. Ook in Nijmegen en omgeving, waar de paden van mensen al meer dan 40.000 jaar kruisen rond heuvel en rivier. Daardoor raken verschillende tijden, mensen, culturen en ideeën hier met elkaar verbonden. In 'Mens op de grens' zie je wat Nijmegen gemaakt heeft tot wat het vandaag is – en wat ons gemaakt heeft tot wie wij vandaag zijn.'
In de benedenverdieping is voor het eerst een chronologisch overzicht van de indrukwekkende Nijmeegse (kunst)geschiedenis te zien, een verhaal van eeuwen migratie van mensen en ideeën. Dat loopt van de prehistorie, via een schitterende pronkzaal van de Romeinse tijd, het middeleeuwse verleden (gebroeders Van Lymborch) tot de 20e eeuw, met de voor Nijmegen kenmerkende radicale extremen: 'Tijd voor actie'.
Joris Ivens
'Door de tijd heen worden hier grenzen verlegd en doorbroken' meldt het museum. Zo'n grensverlegger in de kunst is Joris Ivens (1898, Nijmegen - 1989, Parijs) waarvan in het deel van de 20e eeuw op een groot scherm de documentaire Indonesia Calling is te zien, waarmee hij stelling neemt tegen de koloniale politiek van de Nederlandse regering. Het werd hem niet in dank afgenomen. De film is het begin van de solidariteitsfilms met geknechte landen, die voor onafhankelijkheid vochten en vechten. In een langdurig bruikleen van de Ivens Stichting is de Kinamo filmcamera opgesteld (in de bank waarop je de hele film kunt bekijken), waarmee de filmklassiekers De brug en Regen werden gefilmd, klassiekers van de internationale cinema. Ivens' film is een van de 15 vensters met speciale verdieping om de achtergronden te leren kennen.

Op het scherm rechts een scene uit Indonesia Calling (1946) in de haven van Sydney waar havenarbeiders en matrozen soldiair zijn met de jonge republiek Indonesië en zich verzetten tegen pogingen van de Nederlandse regering de kolonie met geweld te heroveren. Links in de vitrine bij de bank de Kinamo handcamera uit de collectie van de Europese Stichting Joris Ivens. Op het scherm achter beelden van de Piersonrellen, krakers die zich teweer stellen tegen een tank van de ME (1981).
Power to the People
De Spaanse kunstenaar Fernando Sánchez Castillo (1970, Madrid) richtte enkele bovenzalen in onder de titel Power to the People. Hij groeide op in een tijd dat Spanje worstelde met het dictatoriale Franco-verleden. In zijn werk bevraagt Sánchez de beeldvorming van machthebbers en de strijd voor vrede. 'Vrede is het mooiste kunstwerk', zo stelt hij. Aan een hijskraan laat hij aan de Waal een reusachtige witte vlag wapperen in de wind. Als hij in aanraking komt met het werk van Joris Ivens ziet hij in Het verhaal van de wind (1988) ontdekt hij veel paralellen met zijn werk. Op de grond in de expositiezaal stelt hij een mini terracotta-leger op, dat Ivens in zijn film na eeuwen van stilstand plotseling tot leven laat komen. Van fossiel naar mobiel, van stilzwijgend ondergaan naar actie en opstand. In een andere zaal toont Sánchez de student die in Beijing tanks tegenhoudt, een dans van ME-tanks, een grote groep dwaze moeders met een groot beeld van van een van hen en zijn ontwerp van de grote beelden van de omgekeerde Romeinse keizer.

Fernando Sánchez Castillo; zaal met mini terracotta leger (Xi'an, China) met de Ivensfilm Het verhaal van de wind (1988). Rechts, filmstill met Joris Ivens die aan het einde van de film zegt 'Vent souffle fort...'
Baksteenopzetsters
Een blikvanger in de vaste opstelling is tevens het grote doek van Henry Luyten over drie vrouwen die in de uiterwaarden van de Waal bij Nijmegen klei in baksteenvormen duwen. In helder zonlicht, geschilderd in heldere realistisch-impressionistische stijl is dit werk 'De baksteenopzetsters' een sleutelwerk voor de Nijmeegse (kunst)geschiedenis. De baksteenindustrie was rond 1900 de meeste omvangrijke industrie van de stad, de onderbetaalde vrouwen en mannen zorgden voor de bouw van Nijmegen-Oost met zijn fraaie villa's. De Nijmeegse opdrachtgever van Luyten, de baksteenfabrikant Janssen, woonde nota bene in een grote villa aan het Kelfkensbos waar nu het Valkhof Museum staat. Daar had hij een atelier voor de van oorsprong Roermondse schilder ingericht, maar hij schilderde bij voorkeur ter plekke 'en plein air', in de open lucht. Dit grootse doek werd gevonden door André Stufkens in de voorbereiding van de grote Joris Ivens-tentoonstelling Passages. Joris Ivens en de kunst van deze eeuw (1999-2000), destijds de eerste wisseltentoonstelling van het Valkhof Museum. Met behulp van de broers Paul en Jozef de Beenhouwer, verzamelaars en archivisten van het oeuvre van Luyten, werd de Belgische eigenaar, ook een baksteenfabrikant, getraceerd. Na lang aandringen is het sleutelwerk nu in lang bruikleen.
Henry Luyten's blikvanger De baksteenopzetsters, met rechts daarvan een werk van Maria Janssen (dochter van de baskteenfabrikant), geboren op de plek waar nu het museum staat. Links twee werken van Jan Toorop die tien jaar in Nijmegen heeft gewoond en gewerkt.
Filmgeschiedenis
De films van Joris Ivens behoren tot de filmgeschiedenis, hij was en zal altijd de belangrijkste Nederlandse filmmaker blijven in de eerste driekwarteeuw van die historie. Het Rijksmuseum toont in haar zalen van de 20e eeuw permanent Ivens' Philips Radio (1931), een icoon van moderniserend Nederland, de eerste geluidsfilm van ons land. Het Valkhof Musuem vanaf nu Indonesia Calling! (1946). Wonderlijk genoeg blijft het museum dat over de filmgeschiedenis van ons land gaat, het EYE Filmmuseum, jammerlijk achter. Hoewel al vanaf het beleidsplan van 2012 staat dat EYE een expo wil over Ivens en ondanks pogingen daartoe is het museum er nog steeds niet in geslaagd.
Bij de kleine onafhankelijke uitgeverij Bastante in Santiago de Chile verschijnt binnenkort de eerste Spaanse publicatie van Joris Ivens' eerste autobiografie The Camera and I: La cámara y yo.
Vicente Braithwaite heeft zich sinds 2024 ingezet voor deze publicatie. In Ivens' eerste autobiografie beschrijft hij de periode tot 1946 met een aansluitend hoofdstuk waarin de periode 1945 tot 1967 kort wordt behandeld. Omdat Ivens geen historicus is, maar een kunstenaar, zijn lang niet alle historische feitelijkheden kloppend te noemen, met name de beschrijving van The Spanish Earth is persoonlijk en fictief.
De onstaansgeschiedenis van The Camera and I is complex. In het Ivensarchief zijn typsocripten aanwezig uit de jaren 1941-1944, toen Ivens in de Verenigde Staten verbleef. In 1939 had Random House Publishing zijn voorstel voor publicatie van zijn Chinees dagboek over The 400 Millions afgewezen, omdat zijn Engels niet goed genoeg was. In de oorlogsjaren, tussen filmprojecten door, werkte hij aan zijn memoires, te beginnen vanaf zijn jeugd in Nijmegen. Hij vroeg daarbij de hulp van vermaard filmhistoricus Jay Leyda, toentertijd film curator van de Museum of Modern Art in New York en Eisenstein-specialist, en Hope Corey, de vrouw van acteur en filmregisseur Jeff Corey. De losse hoofdstukken werden in 1944 slechts in enkele exemplaren gebonden op het moment dat Ivens naar Australië vertrok om voor de Nederlandse regering filmopdrachten uit te voeren. Een gebonden exemplaar gaf hij aan zijn vriend André Deinum, geboren in Workum, maar filmprofessor in de VS. Het boek dat was gevorderd tot Power and the Land (1941) bleef onvoltooid liggen. Betrokkenen in de VS kregen eind jaren veertig en vijftig problemen met hun werk, vanwege 'blacklisting' door de Amerikaanse overheid, waarbij de vriendschap met Ivens een rol speelde. Pas in de jaren zestig, toen Ivens in Nederland terugkeerde en zijn archief bij elkaar kwam op een vaste plek in het Nederlands Filmmuseum, kon het boek worden afgemaakt, met name door Jay Leyda. Die staat overigens nergens in de publicatie van 1969 vermeld.
Het boek werd vanuit het Engels in diverse talen vertaald, o.a. in het Nederlands, Chinees, Italiaans en Japans. In 1980 vertaalden studenten van de UNAM, Centro Universitario de Estudios Cinematográficos in Mexico Stad het boek in het Spaans, maar dit was alleen voor intern gebruik. In Chili komt dus voor het eerst de openbare publicatie beschikbaar.

Omslag La Camara y Yo, uitgeverij Bastante, verschijnt binnenkort.

De Engelse, Italiaanse en Nederlandse versie van Ivens' eerste autobiografie.
Op 10 oktober 2025 is Caroline Hoebens gepromoveerd aan de Universiteit van Utrecht op een dissertatie over de filmmuziek in de films van Joris Ivens. Het is de eerste keer dat de muziek en het geluid, zoals Ivens die heeft toegepast in zijn films, onderwerp is van een omvangrijk proefschrift. Joris Ivens speelde zelf piccolo, een kleine dwarsfluit, wat mogelijk zijn sensiviteit voor het gebruik van muziek verklaart. Met name blaasinstrumenten, die zo'n belangrijke rol spelen in de muziek bij Het verhaal van de wind (1988), gecomponeerd door Michel Portal. Ivens hield als rechtgeaarde avant-gardist van experimenten met het gebruik van geluid en muziek. Zo vervaardigde hij de eerste geluidsfilm van Nederland met Philips-Radio (1931), liet in 1932 muziek componeren bij zijn zwijgende film Regen door Lou Lichtveld, werkte samen met bekende componisten, zoals Hanns Eisler en Dmitri Shostakowitsch. Het resulteerde o.a. in de eerste filmmuziek in de twaaltoonstechniek van Schönberg (The 400 Million) en bij Regen (1929). 
Caroline Hoebens met de bul in haar hand, met achter haar de applaudiserende professoren.
Caroline Hoevens schrijft in haar 'Voorwoord en dankwoord': 'Het idee om een promotievoorstel in te dienen werd aangemoedigd door professor Philippe Cathé. Tussen 2012 en 2014 begeleidde hij mijn masteronderzoek aan de Sorbonne in Parijs. Tijdens zijn cursussen had hij meerdere malen blijk gegeven van zijn enthousiasme voor de Nederlandse film en het werk van Joris Ivens, die lange tijd in Parijs heeft gewoond en misschien wel de bekendste Nederlandse filmmaker in Frankrijk is. Mede dankzij zijn ideeën voor relevante onderzoeksonderwerpen en zijn adviezen, werd het voorstel in 2017 goedgekeurd. De eerste promotiejaren, waarin ik de basis voor het onderzoek legde, heeft professor Cathé dan ook begeleid. Hiervoor wil ik hem als eerste bedanken.
De inspirerende gesprekken met André Stufkens, directeur van het Joris Ivens Instituut, zijn met name tijdens het vooronderzoek van betekenis geweest. Hij overtuigde me van de relevantie van het vraagstuk, door te wijzen op de opvallende muziekfragmenten in Ivens’ oeuvre. In dezelfde periode heeft Bert Hogenkamp, mediahistoricus en specialist op het gebied van Nederlandse documentaires, zijn gedachten over het uitvoeren van een onderzoek naar muziek in documentaires van Ivens met mij gedeeld. Beiden ben ik daarom dankbaar, evenals de medewerkers bij het Prins Bernhard Cultuurfonds en de Stichting Dr. Hendrik Muller’s Vaderlandsch Fonds voor hun vertrouwen in een goed verloop van het project.
Eind 2020, toen de meeste publieke instellingen in Parijs voor langere tijd hun deuren gesloten hielden en het ondernemen van sociale activiteiten sterk werd afgeraden, stond ik met mijn rug tegen de muur omdat ik me realiseerde dat ik er niet in zou slagen om het proefschrift in het Frans te schrijven zoals ik me in 2017 had voorgenomen. In februari 2021 besloot ik daarom te proberen het onderzoek aan een Nederlandse universiteit af te ronden. Ik schreef een brief aan musicoloog en hoogleraar Emile Wennekes. Hij had meerdere artikelen over muziek in de Nederlandse film gepubliceerd. Emile toonde direct belangstelling voor wat ik inmiddels had geschreven. Hij stond ervoor open om de laatste fase van de promotie, die achteraf langer heeft geduurd dan voorzien, te begeleiden. Zonder zijn toezegging en zonder zijn commentaar, opmerkingen en aanvullingen, zou ik zijn gestopt. Ik ben hem daarom bij uitstek dankbaar. Hierbij wil ik ook de assistent promotor van het onderzoek bedanken, Michiel Kamp, voor zijn adviezen en feedback.
Aan het identificeren van specifieke muziekfragmenten, het begrijpen van de (culturele) betekenis van bepaalde stukken of genres en het vertalen van Spaanstalige (lied)teksten, hebben vrienden, academici, doctoranten en muzikanten waaronder Ariadna Alsina Tarrés, Yvan Adriano Zetina Ríos, Virginia Mendez, Andrés Felipe Molano Ruiz en Jordi Olivar een bijdrage geleverd. Enkelen van hen heb ik leren kennen op de campus Cité Internationale Universitaire de Paris waar ik gedurende een groot deel van het onderzoek verbleef en veel inspiratie heb opgedaan. Géraud Guilloud, Sébastien Marrec en Yann-Riccardo Bertrand hebben mij geholpen met het schrijven van de Franstalige, academische teksten. Er zijn zeker meer mensen die mij van advies hebben voorzien of een idee met mij hebben gedeeld waarvan ik genereus gebruik heb gemaakt, maar wiens namen ik ben vergeten of niet heb geweten. Aan allen wil ik hierbij mijn dank betuigen. De laatste dank gaat uit naar mijn zus, Roos Hoebens. Vanaf het begin tot het einde van het onderzoek heeft zij mij geholpen door teksten van mijn hand te controleren, zwakke formuleringen te onderscheppen en bescheiden inhoudelijke suggesties te doen. Dit alles ondanks dat ze niet veel opheeft met de studie van film of muziek, en geschiedenis heeft gestudeerd. Zonder haar omvangrijke bijdrage zou het eindresultaat nog langer op zich hebben laten wachten. De dank aan Roos mag gedeeld worden met mijn ouders, die er altijd zijn geweest om mij bij te staan bij het regelen of oplossen van praktische zaken en problemen zodat ik dit onderzoek kon uitvoeren, en om mijn ideeën, plannen, en twijfels aan te horen en hierop bemoedigend te reageren of mij op andere gedachten te brengen.'
Het proefschrift Muziek in de documentaires van Joris Ivens is via Open Access te downloaden.
Woensdag 22 oktober 2025 presenteerde André Stufkens in de grote zaal van LUX zijn boek Gewoon goeie films. 50, 100 & 25 jaar film avant-garde in Nijmegen (uitgeverij Vantilt). In aanwezigheid van wethouder Noël Vergunst, directeur Diederik Hoekstra en vele oud-medewerkers vertelde hij over honderd jaar strijd voor de goede film. Die opmerkelijke strijd heeft geresulteerd dat Nijmegen -de negende stad van het land in grootte- Filmstad nr. 1 is (volgens Gerard Marlet in zijn Atlas voor gemeenten en De aantrekkelijke stad).
Op 18 november 1974 opende het Filmhuis Nijmegen, niet zonder reden de verjaardag van Joris Ivens. Net als Ivens zelf combineerde dit experiment met een alternatief filmtheater eigenzinnige, onafhankelijke filmkunst en maatschappelijke vernieuwing, een vruchtbare mengeling van politiek en cultuur, van lef en visie. Wilfried Uitterhoeve, toenmalig studentenleider en jurist, en Ad Spijkers, actief in de Vietnambeweging en werkzaam op het Bureau Buitenland van de Katholieke Universiteit van Nijmegen (KUN), hadden de moed en visie dit filmhuis op te richten voor 'de betere film', de 'andere film'. De eerste film illustreerde die wat vage termen: Il caso mattei (1972) van Francisco Rossi, winnaar van de Gouden Palm met een hybride vorm van speelfilm en documentaire. Ook hier werd in het eerste programmblad het verband met Ivens gelegd, die Ad Spijkers eerder dat jaar persoonlijk had ontmoet in Berlijn. Enrico Mattei had in 1960 in zijn hoedanigheid als baas van de ENI, het machtige energiebedirjf van Italië, en tevens vooraanstaand Christendemocraat, aan Joris Ivens de opdracht gegeven een documentaire te maken over het economisch wonder van zijn land, dankzij de vondst en verwerking van methaangas. Het resulteerde in de tv-serie l'Italia non è un paese povero (1961). Ivens werkte samen met de toen nog jonge filmmakers Paolo en Vittoria Taviani. die hij adviseerde over te stappen naar speelfilm. Ivens' Italiaanse drieluik verscheen twee jaar voor de tot nu toe onopgehelderde dood van Mattei door een vliegtuigongeluk, waarvan beweerd wordt dat de Seven Sisters, de grote Angelsaksische oliemaatschappijen er achter zouden zitten, omdat zij hun monopolie bedreigd zagen.
Het Filmhuis Nijmegen bleek al spoedig een schot in de roos en te voldoen aan een grote behoefte aan de hoogopgeleide stad en studentenbevolking. Het boek gewoon goeie film brengt nauwgezet de genesis en evolutie van dit filmhuis in beeld, voortkomend uit politieke acties, met name voor een vrij Vietnam, de studentenbeweging en initiatieven van studenten voor allerlei filmclubs. Maar was het ook een revolutie? Het boek plaatst de oprichting in vele voorafgaande initiatieven in Nijmegen door bevlogen mensen. Daarbij speelt de familie Ivens natuurlijk een belangrijke rol, maar ook het studentenleven van de in 1923 opgerichte katholieke universiteit. De triade katholicisme, film en universiteit blijkt de afgelopen eeuw een zeer vruchtbare voedingsbodem te zijn geweest voor de vertoning van 'de goede film'.
Bekende namen uit de Nederlandse filmcultuur en internationale filmcultuur passeren de revue. Met LUX, geopend in 2000 door Catherine Deneuve, kreeg de stad het grootse artplex van Europa in huis. Met een dagelijks daverend programma van films en filmgerelateerde activiteiten trekt het jaarlijks ca. 220.000 bezoekers.
Met name Ad Spijkers heeft er met zijn archief en herinneringen voor gezorgd dat de historische reconstructie van het ontstaan van het Filmhuis Nijmegen kan worden gepubliceerd. Eric Brouwer, historicus, lid van de eerste werkgroep van het Filmhuis Nijmegen en nog immer enthousiast vrijwilliger van LUX, adviseerde en initieerde de reünie van de medewerkers van het eerste uur op 12 april 2025. Met 24 (oud) medewerkers en andere betrokkenen is gesproken, dat bij elkaar zorgde voor het vastleggen van unieke getuigenissen van dit bijzondere verhaal.
André Stufkens, 'Gewoon goeie films. 50, 100 & 25 jaar film avant-garde in Nijmegen (Nijmegen: uitgeverij Vantilt), ISBN 9789460045189, 17 x 24 cm, paperback, geïllustreerd, volledig in kleur (ca. 250 illustraties), 168 pagina’s.
Te bestellen via: https://vantilt.nl/boeken/gewoon-goeie-films/
